Hoe zie je aan de hand van een tekening en/of proefjes of een kind toe is aan lezen en schrijven?

Een samenvatting aan de hand van het boek: ‘Naar school’ van Ewald Vervaet.

Over de theorie van Vervaet

Vervaet wijst erop dat ‘denken als een kleuter’ niet naar de leeftijd van het kind of naar de schoolgroep 1 en/of 2 verwijst, maar naar de psychologische structuur. Dat wil zeggen: een kind van 7 of 8 jaar (of nog ouder) kan in bepaalde gevallen in psychologisch opzicht nog een kleuter zijn. Ook het omgekeerde komt voor: er zijn vroegrijpe kleuters die op de leeftijd van 4 of 5 jaar in psychologisch opzicht al functioneren als een schoolkind en dus kunnen (leren) lezen.

Goed om te weten

Het werk van Vervaet wordt zowel geprezen als bekritiseerd. Bekritiseerd omdat hij een fel tegenstander is van empiristische uitgangspunten die in veel sociaal-wetenschappelijk onderzoek leidend zijn. Zo heeft hij zich altijd een uitgesproken tegenstander getoond van psychometrische tests in het algemeen en cito-toetsen bij kleuters en schoolkinderen in het bijzonder.

Waardering voor zijn wetenschappelijk onderzoek krijgt hij onder andere van hoogleraren Jacques Vonèche (in Groeienderwijs), Sieneke Goorhuis-Brouwer (in Naar school) en Peter Luijten die in zijn boeken een voorwoord schreven. Verder is er waardering onder leerkrachten en professionals die met jonge kinderen werken. Zij zeggen het bestaan van de ontwikkelingsfasen die Vervaet beschrijft in de praktijk van hun werk steeds weer bevestigd te zien.

De ontwikkelingsfases 11-14 in vogelvlucht: drie hoofdlijnen

Vooraf:  in  fase 10 (2;7-3;0) ontstaat het identiteitsbesef.

Hoofdlijn 1

In de fases 11 en 13 verwerft het kind fundamenteel nieuwe vermogens.

In fase 11 (3;0-3;9) ontwerpt het concreet-feitelijke verbanden tussen twee identiteiten van fase 10. 

Een voorbeeld daarvan is dat het bij het zien van een vogel telkens vraagt of die ook eieren legt, zonder op het idee te komen dat alle vogels eieren leggen. De fase 10-identiteiten hierin zijn ‘die vogel’ en ‘een ei’ en het concreet-feitelijke verband is ‘leggen’: ‘die vogel legt een ei’. 

In fase 13 (4;6-6;6) vormt het kind abstract-logische verbanden. Het ordent bijvoorbeeld tien stokjes van verschillende lengte van het kleinste naar het grootste (of omgekeerd), via de methode gissen-en-missen. Het abstract-logische verband is ‘groter dan’. 

Hoofdlijn 2

De tweede hoofdlijn is dat het kind in de fases 11 en 13 zijn nieuwe vermogens louter op zichzelf betrekt en los van elkaar laat staan, terwijl het die vermogens in de fasen 12 en 14 ook op de sociale omgeving en op elkaar betrekt. 

In fase 12 (3;9-4;6) generaliseert het kind het concreet-feitelijke verband ‘die vogel legt een ei’ naar ‘alle vogels leggen eieren’. In fase 14 (6;6-8;6) legt het kind de tien stokjes onmiddellijk foutloos van het kleinste naar het grootste (of omgekeerd) omdat het over een abstract ‘groter zijn dan’-kleiner zijn dan’-systeem beschikt. 

Hoofdlijn 3

Voor de derde hoofdlijn sluiten we aan bij de fases 1-10. Ze heeft betrekking op de ontwikkeling van het contact tussen het kind en zijn omgeving.

In de fases 1 en 2 (tot 0;4) heeft het kind passief contact met zijn omgeving – het is maar net wat zijn omgeving biedt om daarop al dan niet te reageren. In de fases 3 en 4 (0;4-1;0) maakt het fysiek contact met zijn omgeving, vooral met zijn handen. In de fases 5 en 6 (1;0-1;6) heeft het aandachtscontact met zijn omgeving, zoals in het wijzen en in het krassen met schrijfgerei. In de fases 7 en 8 (1;6-2;2) is het contact met de omgeving mentaal van aard: het ziet een boom en weet van buiten dat die ‘boom’ heet. In de fases 9 en 10 (2;2-3;0) heeft het representationeel contact met de omgeving – het kan over het recente verleden vertellen (fase 9) en zich ideeën vormen over de nabije toekomst (fase 10). In de fases 11 en 12 (3;0-4;6) maakt het kind verbeeldend contact met zijn omgeving doordat het concreet-feitelijke verbanden bedenkt tussen identiteiten, terwijl die aldus bedachte verbanden wel of niet met de werkelijkheid overeen kunnen komen. In de fases 13 en 14 (4;6-8;6) heeft het kind relationeel contact met zijn omgeving, namelijk vanwege de abstract-logische verbanden. In fase 14 bijvoorbeeld weet het dat limonade die van een smal, hoog glas is overgegoten in een breed, laag glas evenveel blijft, terwijl het in fase 13 meent dat er minder zou zijn vanwege de lagere stand óf meer vanwege de grotere doorsnee. 

We noemen de concreet-feitelijke verbanden van de fases 11 en 12 samengangen. Het kind neemt immers verbanden aan volgens welke de ene identiteit en de andere bij elkaar zouden horen of met elkaar zouden samengaan. In fase 11 is er sprake van gerichte samengangen: die vogel legt wel een ei, maar een ei legt niet die vogel.In fase 12 worden de samengangen van fase 12 met elkaar gecombineerd, zodat er onderlinge samengangen ontstaan. Op grond daarvan is het kind tot generalisaties als ‘alle vogels leggen eieren’ in staat.

De abstract-logische verbanden van de fases 13 en 14 noemen we relaties. In fase 13 zijn de relaties onomkeerbaar van aard. Vandaar dat het fase 13-kind meent dat er na het overgieten minder of meer limonade is. Het verdisconteert niet dat de geringere hoogte en de grotere doorsnede elkaar compenseren. Dat laatste doet het kind in fase 14 wel. Daarin is er dan ook sprake van omkeerbare relaties.

Vervaet stelt dat je in fase 14 pas toe bent aan lezen en schrijven.

Tekeningen en/of proefjes die je kunt doen om te kijken in welke ontwikkelingsfase het kind zit.

Proefje 1.Teken de inhoud van de flessen na  (de flessenproef)

Het intekenen van een vloeistof in een schuine fles. Op een tafel staan twee plastic flessen van 17 centimeter hoogte en een doorsnee van 6 centimeter. Beide zijn bijna voor de helft gevuld met koude thee. De linkerfles staat rechtop en de rechterfles staat onder een hoek van 45 graden. Het kind heeft op papier twee lege flessen voor zich.

Opdracht : Kun je hier netjes de thee intekenen?

Proefje 2. Teken een boom op de berg.

Opdracht: teken op een leeg vel een boom op de berg. 

Proefje 3.Het huis met de schoorsteen

Opdracht: Teken een huis met een puntdak en een schoorsteen op het dak.

Proefje 4.In welk glas zit meer limonade? (de limonadeproef) 

Op tafel staat rode en groene ranja, twee even hoge glazen en 1 lager glas met een grotere doorsnee. Giet de rode en groene ranja in 2 hoge glazen, laat het aan het kind zien.

Vraag aan Wim:  “Iemand heeft heel veel dorst en houdt net zoveel van groene als rode ranja welk glas kan hij het beste leegdrinken? Dan, zichtbaar, de groene ranja overgieten in het lagere glas. 

Antwoorden van Wim in verschillende fases:

Fase 12 (4;2):  “Omdat ik die lekkerder vind.

Fase 13 (5;6): “De groene limonade is het beste. Daar (groene limonade) is er meer.

Fase 14 (7;6): “Het maakt niet uit, het is hetzelfde.