Maak jij gebruik van emoties tijdens de lessen? Drie tips!

Emoties zijn belangrijk. Emoties doen ertoe. Er is ontzettend veel onderzoek gedaan naar de werking van emoties en we weten nu: Ons brein is ontworpen om alles te onthouden wat met emotie te maken heeft.

Welke emoties bedoelen we

Er is een heel scala aan emoties, van positief tot negatief, en van passief naar actief. Positieve emoties, maar ook negatieve emoties.  Negatieve emoties  zijn emoties die wij niet graag voelen. Angst, verdriet, woede afschuw, we houden het liever ver van ons. Toch zijn negatieve emoties niet slecht. Neem woede. Als onze woede toeneemt maken we ons klaar om te vechten. We sluiten ons af voor prikkels die er niet toe doen, want we moeten onze tegenstander goed in de gaten houden. We krijgen een tunnelvisie. Of angst. Angst kan ervoor zorgen dat wij vermijden wat ons schade toe kan brengen Bij angst worden we met gevaar geconfronteerd en willen we weg we willen vluchten bv voor een slang.  Negatieve emoties helpen ons om snel in actie te komen. Ze zorgen ervoor dat we kunnen overleven.  

Negatief versus positief

We leven in een maatschappij waarin er veel geëist wordt van ons en onze leerlingen. De druk om te presteren is enorm, wat ervoor zorgt dat we veel en vaak te maken hebben met stress. Te veel en te vaak negatieve emoties zijn funest voor onze gezondheid. Ons lichaam staat steeds paraat om te overleven, met als gevolg een te snelle hartslag, snel ademen, altijd in de start stand staan en dat is niet goed voor onze gezondheid. Als we ons blij/ vrolijk voelen hoeven we ons niet klaar te maken om onmiddellijk in actie te komen. We kunnen nadenken, voelen en genieten van het moment. Positieve emoties zorgen ervoor dat wij beter kunnen waarnemen, en dus leren. Vreugde en vrolijkheid  uiten zich in spontaniteit en creativiteit. Het biedt ruimte om te experimenteren en dus om te leren. Als we vrolijk zijn gaan we sneller nieuwe dingen uitproberen en zo verruimen we onze mogelijkheden. 

Wetenschappelijk onderzoek naar het inzetten van positieve emoties tijdens de lessen

Er is ontzettend veel onderzoek naar de werking van emoties gedaan. We weten nu dat ons brein is ontworpen om alles te onthouden wat met emotie te maken heeft. Als wij positieve emoties ervaren, dan voelen wij ons veilig, en stelt ons brein zich open om alles wat met deze emotie te maken heeft op te slaan.

Ons brein smacht naar positieve emotie, het is er dol op

– Manon Meijer

Positieve emoties zorgen voor:

  • Beter in staat om problemen op te lossen
  • Er worden creatieve oplossingen bedacht
  • Veel meer out of the box gedacht
  • De taalbeheersing van tieners wordt beter. 
  • Mensen worden alerter, omdat de waarneming ruimer is 
  • De waarneming wordt flexibeler  
  • Bij visuele taken zien ze het grotere geheel en hebben meer oog voor het detail
  • Test/ toetsresultaten verbeteren na het ervaren van positieve emoties.
  • Zonder positieve emoties is het leren saai en veel moeilijker

Als leerkracht is het dus erg belangrijk om te weten hoe emoties werken en te zorgen voor positiviteit/ positieve emoties bij de leerlingen.

Drie tips hoe je gebruik kunt maken van positieve emoties

  1. Geef zelf het goede voorbeeld. Als wij als leerkracht enthousiast zijn over de lesstof, dan worden de leerlingen dat ook. Leerlingen spiegelen gedrag.
  2. Stel prikkelende vragen. Vragen die de belevingswereld van de leerlingen meenemen, worden als interessant en belangrijk gezien.
  3. Zet nieuwsgierigheid in in je lessen. Nieuwsgierigheid is een van de sterkste emotie die je kunt toepassen. 

Wil je meer weten over de manier hoe je emoties kunt inzetten in je lessen? Hoe je de superkracht nieuwsgierigheid inzet? Schrijf je dan in voor onze masterclass. Deze wordt eenmalig gehouden op 15 maart. Hier vind je meer informatie.

Waarom je moet bewegen – infographic

Herken je dit?

Dat je weet dat bewegen zo ontzettend belangrijk is. Voor de gezondheid, maar ook omdat je leerlingen na een beweegmoment met meer focus en plezier aan het werk gaan.

Helaas komt het door alle drukte nog te vaak voor dat je na een schooldag merkt dat je leerlingen toch te weinig bewogen hebben die dag. Terwijl de richtlijn eigenlijk simpel en haalbaar is. Erik Scherder geeft aan: na elke dertig minuten zitten, moet je vijf minuten bewegen. Na elke zestig minuten zitten moet je een half uur bewegen.

Deze infographic over bewegen kan je helpen om toch die vijf minuten beweging te pakken na een half uur zitten.

De cijfers liegen er niet om: Kinderen in de basisschoolleeftijd (4 tot 12 jaar) zitten gemiddeld 7,3 uur per dag. Kinderen van 4-8 zitten 6,6 uur per dag, en de groep van 8-12 jaar zit 8 uur per dag!

Leg hem op je bureau, en laat de informatie je helpen om te bewegen. Onderaan staan nog drie simpel toepasbare beweegtips voor in de klas. Je kunt de infographic hier downloaden.

Liefs! Manon

Je fouten toegeven

Introductie

Tenzij je 1) kunt toegeven dat je het vaker mis hebt,  2) op het moment dat je de fout maakt, je deze kunt herkennen en erkennen, en 3) je op een passende manier kunt verontschuldigen, dan zal je leven moeilijker zijn.

Je wordt stugger, je riskeert dat vrienden en familie zich van je afkeren, en je loopt de kans mis om te leren van je fouten. Kortom, je wordt minder de persoon die je graag wilt zijn. Wie heeft er niet mee te maken? Onze culturele normen, ons onderwijssysteem; het zorgt ervoor dat je gaat twijfelen of je je fouten prijs moet geven of dat je ze maar beter kunt verdoezelen. 

In de medische wereld doen ze het anders. Er is een ongeschreven regel dat je  je fouten toegeeft. Waarom? Als je aan je collega’s uitlegt waarom je die fout hebt gemaakt, weten zij hoe ze dit in de toekomst anders moeten aanpakken. En dat redt levens. 

Toch vergt het veel moed om toe te geven dat je fout zat. In de maatschappij geldt fouten maken als een teken van zwakte. Zelfs (en misschien juist) in ons onderwijs wordt het maken van fouten niet gewaardeerd. Fouten maken levert immers een laag cijfer op. 

Op het moment dat wij als leerkrachten zeggen: “ Fouten maken mag. Van fouten maken word je slimmer”, dan klopt dat. Ja. Het toepassen ervan is echter moeilijker dan je denkt.

Onderzoek waarom het voor je brein makkelijker is om fouten te ontkennen dan ze toe te geven

Van oudsher zet je brein verschillende  “hulpmiddelen” in om je te helpen overleven. Het herkennen van patronen, het beschermen van de kudde, het zoveel mogelijk sparen van energie zijn zulke hulpmiddelen. 

Bij deze hulpmiddelen hoort ook het doen van foute voorspellingen (je brein neemt de kortste verbinding om tijd te sparen), het gebruiken van verhalen vanuit een bepaald gezichtspunt, en het nemen van ons eigen persoontje als centraal middelpunt (als zelfbescherming). Het is deze tweede reeks van hulpmiddelen die de kans vergroot om fouten te verdoezelen. 

De moderne tijd heeft het er niet gemakkelijker op gemaakt. Constant moeten we beslissingen nemen. Doen we dit of doen we dat?  Een  beslissing nemen we vaak in een fractie van een seconde en fouten maken hoort erbij. Op het moment dat je een beslissing hebt genomen, vaak met weinig aanvullende informatie, is het voor jezelf vaak de meest voor de hand liggende keuze. Toch?

Op het moment dat je de keuze hebt gemaakt, willen we onze keuze bevestigen door selectief ‘bewijsmateriaal’ erbij te halen. Dat selectieve bewijsmateriaal wordt nog eens bevestigd door onze eigen overtuiging dat wat we doen, het juiste is. En daarna verdedigen en rechtvaardigen we onze beslissing omdat ons beloningssysteem ons helpt om onszelf goed te voelen over deze beslissing.

Om dit helemaal af te maken: ons gevoel van eigenwaarde (ik ben een goed persoon, ik ben slim genoeg, ik neem goede beslissingen) zou een flinke deuk krijgen als je zou toegeven dat je een verkeerde beslissingen hebt genomen. Waarom? Omdat het onze identiteit is die in het geding is. 

Zo werkt het proces in drie stappen

1.Ons brein brengt snel gedachten voort door de kortste, (doch wellicht incorrecte) verbinding te kiezen

2.We bevestigen en bekrachtigen deze gedachten; het worden onze keuzes

3.We verdedigen de keuzes door er een verhaal omheen te maken vanuit onze eigen zienswijze

Herken je het? 

Wat kun je eraan doen?

Drie praktische suggesties die je kunt toepassen

1.Herken de trigger. Als je de neiging hebt om je fouten te verdoezelen, te ontkennen, of ervan weg te rennen, denk na over wat er gebeurt in je lijf of je brein. Is het een gevoel dat je krijgt… of een verhaal dat je jezelf vertelt? Of is het een stemmetje in je dat zegt:” Het is toch niet zo erg” of “Ze zullen het toch niet merken.” De sleutel is je ervan bewust te zijn dat je dit doet. Je kunt nooit je gedrag veranderen als je niet ziet of ontkent wat er gebeurt. NOTE: Het is menselijk gedrag, we doen het allemaal, maar iedere dag is een nieuwe kans.

2.Leer van de fout. Doe even een snelle check waarom je de fout hebt gemaakt. “Ik verborg mijn fout.. omdat ik niet stom over wilde komen.” Of “Ik schaam me, want ik was zo zeker van mijn zaak.”  De reden waarom je je schaamt of dat je niet voor je fout wilt uitkomen, is dat je niet wilt dat je een verkeerde gedachtegang hebt gemaakt. (“Ik wilde zo graag gelijk hebben”) of dat je zelfwaarde een deuk oploopt. (“Gewoonlijk maak ik dit soort fouten niet.”)

Waar het om gaat is dat er ALTIJD iets te leren is, en dat je van je fouten leert. 

3.Verontschuldig je. Maar doe het op zo’n manier dat je de meeste kans hebt dat deze aanvaard wordt. Niet alle excuses worden aanvaard. Sommige mensen kiezen ervoor jouw excuses niet te accepteren. Dat is aan hen, niet aan jou.

Dan de drie regels om op een goede manier excuses te maken

1.Eigenaarschap. Wees de eerste om te erkennen dat je iets fout hebt gedaan. Ontken het niet en bagatelliseer het niet.  Focus op je eigen acties en niet op de reactie van de ander. Een voorbeeld: “Sorry dat je gekwetst was door mijn opmerking van gisteravond.” Dit is een mega slecht excuus om je fout toe te geven. Zeg in plaats daarvan:”Sorry voor wat ik zei gisteravond; het was stom en dom. Verdedig nooit je gedrag door eraan toe te voegen dat de ander ook een rol had. Zeg niet simpelweg “sorry” en laat het daarbij. Ook al is het gemeend, het verzwakt je verontschuldiging.

2.Wees helder en duidelijk. Neem de totale verantwoordelijkheid op je voor jouw rol in de situatie. Een duidelijk voorbeeld is: “Ik was gekwetst gisteravond toen ik je uitschold. Het was fout en ik verontschuldig me ervoor.”

Een goede verontschuldiging laat het woordje “maar” achterwege. Elke verontschuldiging met het woordje “maar”  erin, verliest zijn waarde. Als de ander meer uitleg wil van jou, dan is het aan hem of haar om daarom te vragen. Het is niet aan jou. Ga nooit de discussie aan wie er fout was, wie er begon, of wat jouw aandeel was. Neem de verantwoordelijkheid op je en zeg simpelweg:”Het spijt me echt voor mijn aandeel hierin”.

3. Rond de discussie goed af, voor beide partijen. We maken allemaal fouten en we kwetsen allemaal wel eens iemand.  Vergeef eerst jezelf en verontschuldig je daarna zo goed mogelijk, zo oprecht mogelijk en vraag of  je iets kunt doen om het leed te verzachten. “Het spijt me echt”. Mag ik iets voorstellen om de fout te herstellen?” Soms lukt het niet. Dan is dat zo. Maar dan heb je het wel geprobeerd.

Conclusie

Ga er maar vanuit dat je vele, vele fouten zult maken in je leven. Wees er klaar voor om ze tegemoet te treden. Vergeef jezelf. Verontschuldig jezelf op datzelfde moment, zo goed als je kunt. Adem diep in. Ga door met leven. Je hebt je best gedaan.

Dit artikel is vrijuit vertaald vanuit het Engels. De oorspronkelijke tekst is geschreven door Eric Jensen. www.JensenLearning.com

De succesfles

Het is april 2021. Groep 8 heeft Cito. Juf Inger, juf van groep ⅞, maakt voor al haar leerlingen een succesfles. Het is een flesje water met een etiket waarop ze de leerlingen succes wenst.

Goed idee of niet? 

Ik neem je mee in een stukje breintheorie. Beslis daarna voor jezelf of je de succesfles een slimme zet vindt of niet.

Ons brein bestaat uit drie delen.

1.Het reptielenbrein is ons kleinste en oudste brein. Vanuit de evolutie is het maar uit op één ding: overleven. Het reageert automatisch op prikkels. Denk bijvoorbeeld aan pasgebakken brood, rustgevende muziek, de geur van een lentedag, rustgevende muziek als je het heel druk hebt gehad of juist opzwepende muziek als je op de sportschool bent. 

Het reptielenbrein denkt niet na en onthoudt ook niets, het reageert instinctief en automatisch. Als zodanig functioneert dit brein buiten je bewuste controle. Het is echter wel dit stukje brein dat het meest bepalend is voor onze gedachtes, voor de keuzes die we maken. 

2.Het zoogdierenbrein oftewel het limbische systeem is verantwoordelijk voor onze emoties, onze motivatie, ons geheugen en ons lerend vermogen. Het bepaalt hoe we ons voelen en heeft daardoor vaak een onbewuste invloed op ons gedrag. Dit deel van ons brein beloont ons voor positieve ervaringen en zorgt ervoor dat we pijn en verwondingen zoveel mogelijk vermijden. 

3.Het menselijke brein, het rationele brein is het jongste en meest bewuste gedeelte van onze hersenen. Het zorgt er onder meer voor dat we abstract kunnen denken, analyseren en logisch redeneren.

Wat nu zo interessant is dat je  pas bij  het rationele brein komt als je het reptielenbrein en het zoogdierenbrein gepasseerd bent. 

Hoe bereik je dan dat denkende brein? Je zorgt ervoor  dat het reptielenbrein en het emotionele brein zich fijn voelt.  Je gaat bewust op zoek naar positieve emoties. 

Positieve emoties

Het is wetenschappelijk bewezen dat leren en ontwikkelen beter gaat wanneer er positieve emoties in het spel zijn. Positieve emoties als blijdschap, hoop en trots dragen bij aan leerprestaties, terwijl negatieve emoties als angst en verveeldheid het brein juist kan  belemmeren om optimaal te presteren. Om een beeld te schetsen: als je angst ervaart wordt 40% van het werkgeheugen in beslag genomen door die angst. Dan blijft er nog maar 60% over om te presteren. 

Water

Voldoende water drinken is superbelangrijk om je goed te kunnen concentreren. Onze hersenen bestaan voor 80 tot 90 procent uit water. Het is heel belangrijk om ervoor te zorgen dat je dit percentage op peil blijft. Waarom? Als het maar een klein tekort heeft aan water -zeg 5 a 10 %- kan dat al 50% concentratieverlies betekenen. Water helpt ons om het maximale uit onze mentale prestatie te halen. 

Een succesfles? Ik vind het een topidee:)

Hoe zie je aan de hand van een tekening en/of proefjes of een kind toe is aan lezen en schrijven?

Een samenvatting aan de hand van het boek: ‘Naar school’ van Ewald Vervaet.

Over de theorie van Vervaet

Vervaet wijst erop dat ‘denken als een kleuter’ niet naar de leeftijd van het kind of naar de schoolgroep 1 en/of 2 verwijst, maar naar de psychologische structuur. Dat wil zeggen: een kind van 7 of 8 jaar (of nog ouder) kan in bepaalde gevallen in psychologisch opzicht nog een kleuter zijn. Ook het omgekeerde komt voor: er zijn vroegrijpe kleuters die op de leeftijd van 4 of 5 jaar in psychologisch opzicht al functioneren als een schoolkind en dus kunnen (leren) lezen.

Goed om te weten

Het werk van Vervaet wordt zowel geprezen als bekritiseerd. Bekritiseerd omdat hij een fel tegenstander is van empiristische uitgangspunten die in veel sociaal-wetenschappelijk onderzoek leidend zijn. Zo heeft hij zich altijd een uitgesproken tegenstander getoond van psychometrische tests in het algemeen en cito-toetsen bij kleuters en schoolkinderen in het bijzonder.

Waardering voor zijn wetenschappelijk onderzoek krijgt hij onder andere van hoogleraren Jacques Vonèche (in Groeienderwijs), Sieneke Goorhuis-Brouwer (in Naar school) en Peter Luijten die in zijn boeken een voorwoord schreven. Verder is er waardering onder leerkrachten en professionals die met jonge kinderen werken. Zij zeggen het bestaan van de ontwikkelingsfasen die Vervaet beschrijft in de praktijk van hun werk steeds weer bevestigd te zien.

De ontwikkelingsfases 11-14 in vogelvlucht: drie hoofdlijnen

Vooraf:  in  fase 10 (2;7-3;0) ontstaat het identiteitsbesef.

Hoofdlijn 1

In de fases 11 en 13 verwerft het kind fundamenteel nieuwe vermogens.

In fase 11 (3;0-3;9) ontwerpt het concreet-feitelijke verbanden tussen twee identiteiten van fase 10. 

Een voorbeeld daarvan is dat het bij het zien van een vogel telkens vraagt of die ook eieren legt, zonder op het idee te komen dat alle vogels eieren leggen. De fase 10-identiteiten hierin zijn ‘die vogel’ en ‘een ei’ en het concreet-feitelijke verband is ‘leggen’: ‘die vogel legt een ei’. 

In fase 13 (4;6-6;6) vormt het kind abstract-logische verbanden. Het ordent bijvoorbeeld tien stokjes van verschillende lengte van het kleinste naar het grootste (of omgekeerd), via de methode gissen-en-missen. Het abstract-logische verband is ‘groter dan’. 

Hoofdlijn 2

De tweede hoofdlijn is dat het kind in de fases 11 en 13 zijn nieuwe vermogens louter op zichzelf betrekt en los van elkaar laat staan, terwijl het die vermogens in de fasen 12 en 14 ook op de sociale omgeving en op elkaar betrekt. 

In fase 12 (3;9-4;6) generaliseert het kind het concreet-feitelijke verband ‘die vogel legt een ei’ naar ‘alle vogels leggen eieren’. In fase 14 (6;6-8;6) legt het kind de tien stokjes onmiddellijk foutloos van het kleinste naar het grootste (of omgekeerd) omdat het over een abstract ‘groter zijn dan’-kleiner zijn dan’-systeem beschikt. 

Hoofdlijn 3

Voor de derde hoofdlijn sluiten we aan bij de fases 1-10. Ze heeft betrekking op de ontwikkeling van het contact tussen het kind en zijn omgeving.

In de fases 1 en 2 (tot 0;4) heeft het kind passief contact met zijn omgeving – het is maar net wat zijn omgeving biedt om daarop al dan niet te reageren. In de fases 3 en 4 (0;4-1;0) maakt het fysiek contact met zijn omgeving, vooral met zijn handen. In de fases 5 en 6 (1;0-1;6) heeft het aandachtscontact met zijn omgeving, zoals in het wijzen en in het krassen met schrijfgerei. In de fases 7 en 8 (1;6-2;2) is het contact met de omgeving mentaal van aard: het ziet een boom en weet van buiten dat die ‘boom’ heet. In de fases 9 en 10 (2;2-3;0) heeft het representationeel contact met de omgeving – het kan over het recente verleden vertellen (fase 9) en zich ideeën vormen over de nabije toekomst (fase 10). In de fases 11 en 12 (3;0-4;6) maakt het kind verbeeldend contact met zijn omgeving doordat het concreet-feitelijke verbanden bedenkt tussen identiteiten, terwijl die aldus bedachte verbanden wel of niet met de werkelijkheid overeen kunnen komen. In de fases 13 en 14 (4;6-8;6) heeft het kind relationeel contact met zijn omgeving, namelijk vanwege de abstract-logische verbanden. In fase 14 bijvoorbeeld weet het dat limonade die van een smal, hoog glas is overgegoten in een breed, laag glas evenveel blijft, terwijl het in fase 13 meent dat er minder zou zijn vanwege de lagere stand óf meer vanwege de grotere doorsnee. 

We noemen de concreet-feitelijke verbanden van de fases 11 en 12 samengangen. Het kind neemt immers verbanden aan volgens welke de ene identiteit en de andere bij elkaar zouden horen of met elkaar zouden samengaan. In fase 11 is er sprake van gerichte samengangen: die vogel legt wel een ei, maar een ei legt niet die vogel.In fase 12 worden de samengangen van fase 12 met elkaar gecombineerd, zodat er onderlinge samengangen ontstaan. Op grond daarvan is het kind tot generalisaties als ‘alle vogels leggen eieren’ in staat.

De abstract-logische verbanden van de fases 13 en 14 noemen we relaties. In fase 13 zijn de relaties onomkeerbaar van aard. Vandaar dat het fase 13-kind meent dat er na het overgieten minder of meer limonade is. Het verdisconteert niet dat de geringere hoogte en de grotere doorsnede elkaar compenseren. Dat laatste doet het kind in fase 14 wel. Daarin is er dan ook sprake van omkeerbare relaties.

Vervaet stelt dat je in fase 14 pas toe bent aan lezen en schrijven.

Tekeningen en/of proefjes die je kunt doen om te kijken in welke ontwikkelingsfase het kind zit.

Proefje 1.Teken de inhoud van de flessen na  (de flessenproef)

Het intekenen van een vloeistof in een schuine fles. Op een tafel staan twee plastic flessen van 17 centimeter hoogte en een doorsnee van 6 centimeter. Beide zijn bijna voor de helft gevuld met koude thee. De linkerfles staat rechtop en de rechterfles staat onder een hoek van 45 graden. Het kind heeft op papier twee lege flessen voor zich.

Opdracht : Kun je hier netjes de thee intekenen?

Proefje 2. Teken een boom op de berg.

Opdracht: teken op een leeg vel een boom op de berg. 

Proefje 3.Het huis met de schoorsteen

Opdracht: Teken een huis met een puntdak en een schoorsteen op het dak.

Proefje 4.In welk glas zit meer limonade? (de limonadeproef) 

Op tafel staat rode en groene ranja, twee even hoge glazen en 1 lager glas met een grotere doorsnee. Giet de rode en groene ranja in 2 hoge glazen, laat het aan het kind zien.

Vraag aan Wim:  “Iemand heeft heel veel dorst en houdt net zoveel van groene als rode ranja welk glas kan hij het beste leegdrinken? Dan, zichtbaar, de groene ranja overgieten in het lagere glas. 

Antwoorden van Wim in verschillende fases:

Fase 12 (4;2):  “Omdat ik die lekkerder vind.

Fase 13 (5;6): “De groene limonade is het beste. Daar (groene limonade) is er meer.

Fase 14 (7;6): “Het maakt niet uit, het is hetzelfde.